Concentratie en concurrentie

Belangenorganisaties, kartelvorming, fusies en overnames

Onder het thema concentratie vallen in de eerste plaats fusies en overnames, maar ook kartels, joint ventures en andere vormen van economische samenwerking tussen ondernemingen met als doel het verbeteren van de prestaties van de onderneming en/of beïnvloeding van de markt. Voorop moet worden gesteld dat het hier dus niet alleen gaat om volledige samensmelting van ondernemingen, maar ook om strategische samenwerking. De overeenkomst tussen al deze verschijningsvormen is dat er een binding bestaat die niet vrijblijvend is, maar dat er doel en richting aan de samenwerking wordt gegeven en ook dat er continuïteit nagestreefd wordt (een voorbeeld van een dergelijke 'tussenvorm' van intensieve samenwerking, die niet uitliep op een fusie, maar toch leidde tot een uiterst stabiele vorm van coöperatie, was de 'strategische alliantie' die de Koninklijke Olie en de "Shell" Tansport and Trading Co. in 1907 aangingen, waarbij de Royal Dutch/Shell groep ontstond). Gedurende de gehele 20e eeuw speelden dergelijke coalities een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de structuur van het Nederlandse bedrijfsleven, en de grote mate van 'tolerantie' - zowel van de kant van het publiek als formeel door de overheid - ten opzichte van allerlei vormen van samenwerking maakte Nederland tot een echt 'kartelparadijs' (H.W. de Jong). Vanaf de jaren tachtig is dit echter geleidelijk aan veranderd, mede onder invloed van Europese wetgeving.

Het proces van concentratie vertoonde daarbij bepaalde uitgesproken - in totaal vijf - golfbewegingen, waarbij de motieven om tot samenwerking dan wel een volledige fusie te komen voortdurend lijken te verschuiven. Bedrijfshistorici hebben al relatief veel aandacht besteed aan fusies en kartels, en economen hebben een omvangrijke theoretische literatuur opgebouwd met het doel deze processen te verklaren. Een en ander maakt het mogelijk om een diepgaande studie naar dit fenomeen thans te ondernemen.

Daarbij moet aan de orde komen hoe het proces van concentratie zich in de loop van de 20e eeuw heeft ontwikkeld -waarbij de vijf golfbewegingen (in de jaren na 1900, de jaren 1920, 1960-75, jaren 1980 en de jaren 1990)- als eenheid van analyse kunnen gelden. De achterliggende theoretische vraag die in het bijzonder met betrekking tot fusies beantwoord zal worden is in welke mate deze ingegeven worden door strikt economische motieven - het benutten van schaalvoordelen, bijvoorbeeld, of het verkrijgen van een sterkere positie op strategische markten - dan wel het resultaat zijn van strategisch handelen, in de eerste plaats gericht op het behoud van de zelfstandigheid van het concern en van het management dat daaraan leiding geeft (omdat een 'te klein' bedrijf een gemakkelijke prooi zou kunnen zijn voor overname door een andere onderneming). Deze laatste visie is recentelijk door Schenk naar voren gebracht, en werpt mogelijk nieuw licht op het 'dwangmatige' en 'cumulatieve' karakter van de fusiebeweging. Daarbij dient ook in de beschouwing betrokken te worden dat een fusie slechts een van de strategische opties is om bepaalde (bedrijfseconomische) doelen te bereiken; in bepaalde periodes zullen andere vormen van samenwerking mogelijk de voor keur verdienen.

Voor de vijf onderscheiden golven zullen de volgende kenmerken van het concentratieproces in kaart gebracht worden:

  1. verschijningsvormen: wat voor samenwerkingsprocessen, welke motieven (strategie); markt versus concentratie; timing (bijvoorbeeld het bestaan van fusiegolven); concentratie en conjunctuur,
  2. de wijze waarop samenwerking tot stand komt en fusietechnieken: onderhandelingsprocessen; wijze van integratie (denk ook aan culturele aspecten); wetgeving (overheid en fusie)
  3. het effect van de concentratie op de winstgevendheid van de onderneming (bedrijfseconomisch onderzoek); sociale gevolgen van concentratie; het effect van concentratie op het gedrag van andere ondernemingen
  4. mislukte fusies

Deze studies kan niet uitputtend zijn - niet alle vormen van concentratie in alle branches betreffen - en zal zich meermalen moeten bedienen van min of meer representatieve case studies. Het is relevant om binnen dit thema onderscheid te maken tussen: kapitaalintensieve en arbeidsintensieve industrieën; grote ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf; sectoren en individuele bedrijven; nationaal opererende en internationaal georiënteerde bedrijven. Een paar voorbeelden van interessante casestudies:

  1. De concentratie in de scheepsbouw, de chemie en/of de papierindustrie: kapitaalintensieve en conjunctuurgevoelige bedrijfstakken
  2. Bank- en verzekeringswezen als arbeidsintensieve branches
  3. Voedings- en genotmiddelenindustrie als voorbeeld van branches met een overwegend midden- en kleinbedrijf die zich ontwikkelden tot 'grootindustrie'
  4. Scheepvaart: een kapitaalintensieve vorm van dienstverlening.

Papers