Het menselijk kapitaal

Sociaal ondernemingsbeleid in Nederland

De opkomst van het industriële grootbedrijf aan het begin van de 20e eeuw bracht belangrijke wijzigingen met zich mee in de organisatie van het werk. Arbeidssplitsing, lopende band met dreigende ontscholing, strikte regelmaat, duidelijke regelgeving en uitvoerige taakomschrijvingen waren hiervan belangrijke kenmerken. Deze disciplinering doordrong de hele maatschappij (zelfs kerkgang past in dit patroon). Het hoogtepunt lag in de jaren vijftig en zestig. Daarna zorgde stagnatie in de industrie en de uitbreiding van de dienstensector voor meer flexibele verhoudingen met de '24-uurs economie' in het verschiet. Tegenover de ontscholing die aan het begin van de eeuw dreigde, zien we een toenemende scholing en een grotere variatie in het werk, vaak gepaard gaande met een grotere individuele verantwoordelijkheid. In de internationale literatuur is onder invloed van het werk van Piore en Sabel deze verandering aangeduid als een overgang van 'Fordism' naar 'Flexibele specialisatie'. Of deze algemene ontwikkelingen ook in Nederland tot uitdrukking kwamen en in hoeverre Nederland hierin een eigen weg bewandelde, moet nader onderzoek uitwijzen. Zeker is dat op het terrein van de arbeidsorganisatie Nederland al vanaf de jaren twintig veelvuldig ideeën uit de VS heeft geïmporteerd en dat die invloed na de Tweede Wereldoorlog is toegenomen.

Centraal in dit deel staat de invoering van moderne arbeidsverhoudingen op bedrijfsniveau en op het niveau van de bedrijfssector. Aan het eind van de 19e en begin 20ste eeuw ontmoeten we markante figuren als Van Marken en Stork die niet ten onrechte het etiket patriarchaal kregen opgeplakt. Maar als we de analyse van Geert Hofstede volgen, staat patriarchaal voor een grote machtsafstand, terwijl volgens hem het kenmerkende van de Nederlandse verhoudingen juist het feminiene karakter is, de bereidheid tot onderhandelen en het zoeken naar consensus. De vraag is dan wanneer die omslag is gekomen. Het is van wezenlijk belang daarbij de eigen rol van de vakbonden te betrekken. Zonder een sterke vakbeweging die ook zijn verantwoordelijkheid nam, zowel op nationaal als lokaal niveau, hadden de arbeidsverhoudingen zich anders ontwikkeld.

Het is evenzeer noodzakelijk het optreden van de werkgevers nader te analyseren. Sommigen waren meer gericht op een sociaal beleid dan anderen, maar zijn daar ook patronen in te onderscheiden? Zijn er verschillen per bedrijfstak, per regio, door geloofsovertuiging of politieke kleur? Ook hierbij kunnen invloeden uit het buitenland een belangrijke rol spelen (morele herbewapening). Een meer prozaische benadering is echter om te kijken naar de rol van de arbeidsmarkt. Schaarste aan arbeid verstevigt uiteraard de positie van de werknemers. Al deze factoren zullen samen in balans moeten worden gebracht.

Het bronnenmateriaal dat bij deze studie wordt gebruikt is van velerlei aard: bedrijfsarchieven, werkgevers- en vakbondsbladen en vooral ook bedrijfsbladen. Het is de bedoeling het thema ook te benaderen vanuit de organisatie-adviesbureaus. Zowel de adviezen van deze bureaus als ook de daaraan voorafgaande analyses van de bestaande situatie geven een goed inzicht in de situaties op de werkvloer. Hierbij zullen onderwerpen zoals scientific management, human resource management, productiviteitscentra, kwaliteitsmanagement, centralisatie versus decentralisatie en bedrijfscultuur ter sprake komen.

Welke bedrijfstakken lenen zich hier goed voor bestudering van dit thema?

  1. In een aantal sectoren is ook op bedrijfsniveau al veel onderzoek gedaan. Te denken valt aan Hoogovens, Philips, de spoorwegen en de grafische industrie.
  2. Een bijzonder geval is de katoenindustrie die als een van de oudste industrieën een goed inzicht in vroege arbeidsverhoudingen kan bieden, terwijl ook de spanningen die het afbouwen van een industrie in de jaren zestig opleverden heel goed aan de hand van deze sector bestudeerd kunnen worden. Een vergelijking met de wolindustrie zou leerzaam zijn voor het belang van regionale verschillen.
  3. De voedings- en genotmiddelenindustrie is zo wijd verspreid en in Nederland relatief zo belangrijk dat deze niet kan ontbreken; daarbij kunnen verschillen in lokale arbeidsverhoudingen heel goed in deze sector onderzocht worden.
  4. Een beruchte casus in de Nederlandse arbeidsverhoudingen zijn de havens. Berucht door de havenbaronnen en door de strijdbare havenarbeiders. Waar ligt de polder in de haven?
top